Langs oude wegen op weg naar Santiago

juli 31, 2011

Inleiding.

Wat U hieronder leest is geen normale blog. Het is een reisverslag. Aan elke dag van de reis is een bericht gewijd. De dagen staan in chronologische volgorde, van boven naar beneden. De ‘oudere berichten’ bevatten dus de dagen later in de tijd.

Zonnebloemen in Spanje

De tekst is een verslag van mijn fietstocht naar Santiago de Compostela in juni/juli 2011. In totaal fietste ik ruim 3.200 km in 33 fietsdagen. Gemiddeld 100 km per dag, maar dan wel inclusief alles: de etappe zelf en de kilometers er omheen. Het was de tweede keer dat ik naar Santiago fietste. Deze keer langs oude wegen, de andere keer in 2008, reed ik de St. Jacobsroute via west-Frankrijk. De Camino Frances vanaf Puente la Reina heb ik twee keer gereden; ik koos in 2011 niet voor de Ruta del Norte. De route ‘langs oude wegen’  is een heel mooie route en op de Camino Frances is zoveel te zien, dat kun je in een tocht niet allemaal bekijken. Daarom dus een tweede keer. Het is tevens mijn laatste keer. Ik heb het nu gezien, ik heb het nu meegemaakt. Dat zien en meemaken slaat op mijn ervaringen onderweg: ontmoetingen met pelgrims en plaatselijke bevolking, overnachten op campings, in albergues, refugio’s, gites en in hostals, de bezichtigingen van steden en dorpen, monasterio’s, musea en kerken, het  weer: regen, wind en zon. Enzovoort. Alles zeer de moeite waard. Alhoewel, moeite heeft het nauwelijks gekost. Behalve een enkele keer, zoals het klimmen en dalen rond het Cruz de Ferro. In regen en mist, bij nauwelijks acht graden.

De foto van een zonsopkomst (zie de balk hierboven) is gemaakt voor de ingang van de camping in Navarette, iets na Logrono.

Ik hoop dat tekst en foto’s U zullen boeien en liefst zullen inspireren ook een keer deze pelgrimage te maken. Het is een unieke ervaring.

3 augustus 2011, Mat Knaapen

Advertenties

1e dag, zondag 12 juni 2011. 1e etappe: Beek en Donk – Polleur, 158 km.

juli 31, 2011

Fiets met ruim 20 kg bagage

Eindelijk is het dan zover. Na een paar weken voorbereiding –vooral bestaande uit trainen– is de dag van vertrek aangebroken. De reis kan beginnen. Ik ga weer naar Santiago de Compostela, helemaal in het noordwesten van Spanje. De fiets en bagage staan klaar, er ligt een reisplan, de terugreis per vliegtuig is geboekt en de conditie lijkt op orde. Geen beletselen om te wachten. Bovendien werkt het weer mee. De beslissing wordt genomen: “Ik ga!!”.

Om zeven uur in de ochtend van 1e Pinksterdag 2011 stap ik op de fiets. Ik fiets op het fietspad waarop ik al in mijn jeugd naar de middelbare school fietste. Maar nu is de bestemming anders: Spanje. Het dringt niet echt door: ik fiets nu hier om straks (over vijf weken) in Santiago de Compostela aan te komen. Eigenlijk voelt het heel gewoon. Het enige verschil is dat mijn fiets zwaar beladen is. Twee tassen achter, twee tassen aan het voorwiel, een stuurtas en twee plastic zakken achterop. Eentje met een klein rugzakje en een met proviand voor vandaag en morgen. Plus nog een klein inklapbaar stoeltje en een kleine fietspomp. En Beertje voorop het stuur. Beertje is mijn kleine compagnon, een teddybeertje gekregen van Monique omdat ik deze keer alleen fiets. Dan heb je toch nog wat gezelschap, zei Monique. Mogelijk heb ik teveel bagage als je er echt kritisch naar kijkt, maar ach, het moet kunnen. Als het teveel blijkt merk ik dat binnenkort wel. De eerste heuvels zullen zich vandaag al melden. En morgen wacht de helft van Luik-Bastenaken-Luik.

Ik ben op weg. Al na 200 meter doet zich het eerste probleem voor. Mijn stuurtas heeft een klep die de bovenkant afsluit en die met twee sluitingen vastgezet moet worden. Zo behoort het te werken. Alleen de sluitingen werken niet goed. De klep ligt dus half los bovenop. Met als gevolg dat na een paar hobbels in de weg de klep naar voren valt en de tas open staat. Terugleggen werkt even, tot de volgende hobbel. Hups, daar gaat-ie weer. Hier stoppen om dit probleem aan te pakken kan niet. De halve familie staat me na te kijken. Dus ik moet wachten tot ik na 1 km de bocht om ben. Daar stop ik meteen. Ik los het probleem op met een dik touwtje (voorheen een hengseltje van een Vodafoontas). Ik leg twee knopen in het touwtje en span het van links naar rechts over de klep. Aan beide zijden van de tas zit een aansluiting voor een draagband. Die gebruik ik nu om het touwtje over de klep te spannen. De knopen zetten het touwtje vast.
De wind staat op kop. Dat zal nog veel vaker voorkomen. Maar het is mooi weer. Een aangename temperatuur en half bewolkt. Na 48 km ben ik in Stramproy, vlak voor de grens Nederland-België. Ik plaats mijn eerste twitterbericht. Om half elf steek ik de grens over en maak ik mijn eerste video-opname. Ietje heeft het vertrek op video gezet; het is dus de tweede clip. Verder naar Molenbeersel. België.

Pauze langs de Belgische Zuid Willemsvaart

Om 11:45 uur pauzeer ik even langs de Zuid-Willemsvaart in België. De teller staat op 70 km. Grappig, de Zuid-Willemsvaart ligt ook zowat achter ons huis. Het voelt dus heel vertrouwd. Ik volg het jaagpad dat langs dit kanaal loopt helemaal. Tot ik niet verder kan. Dan moet ik kiezen: óf via de ‘grote weg’ naar Lanaken, daar de ‘verbindingsvaart’ over en dan bij Maastricht over de Maas, óf hier in de buurt de Maas over en het Julianakanaal en via Bunde naar Maastricht. Ik kies voor dat laatste. Gelukkig vaart er een voetgangers-fietserspontje over de Maas; ik film de overtocht. Bruggen zijn hier zeldzaam. Om bij het pontje te komen moet ik wel een paar kilometer terug. Na de oversteek kom ik op een klein weggetje terecht. Ik gebruik mijn iPhone om te bepalen waar ik precies ben. Gevonden! Wat een handig apparaatje. Rechtsaf, dan links en weer rechts en dan over het Julianakanaal. Over het Julianakanaal ligt gelukkig wel een brug. In Bunde staat de teller op 90 km. Om twee uur ben ik in Maastricht: 100 km. Dat valt tegen. De routeplanner had 85 km voorspeld. Wat ook tegenvalt is dat de hele binnenstad is afgesloten wegens een loopevenement. Een stempel halen in de kathedraal zal niet lukken. Ik strijk neer op het eerste terras waar plek is en neem een kipsalade en een pils. Ik overdenk wat het vervolg gaat worden; ik heb er al 100 km opzitten, maar het is nog maar twee uur. Na de lunch zal het tegen drieën zijn. Durf ik Polleur (ruim 50 km verder) aan als eindbestemming? Of kies ik voor een minder zware rit deze middag? Alhoewel, naar Polleur zal wel een eind de avond in worden. Ik hak de knoop door: Polleur! Na een paar kilometer ben ik weer in België. De eerste heuveltjes dienen zich aan. Bij Mesch krijg ik gezelschap. Een Nederlander fietst me achterop en vertelt dat hij hier op vakantie is en vanmiddag zijn rondje fietst. Ik vertel dat ik op weg ben naar Spanje. Dat is andere koek. Hij rijdt een eindje met me op. Net voor ’s Gravenvoeren slaat hij (gelukkig) een andere weg in. In ’s Gravenvoeren gaat het navigeren voor het eerst verkeerd. Ik rijd te ver rechtdoor terwijl ik midden in het plaatsje rechtsaf had gemoeten. Gelukkig merk ik dat al vrij snel. Voorop zit Beertje en die spreek ik erop aan. Hij zit met zijn neus boven op de kaart die met brede elastieken aan de klep van de stuurtas vast zit. En klep-met-kaart wordt met het ingenieus gebruikte Vodafoontouwtje op zijn plaats gehouden. ’t Kan zijn dat elastiek en touw in de weg zaten en dat Beertje daarom de afslag gemist heeft. Ik reken ’t hem deze keer niet zo hard aan. ’t Was maar 1 kilometer verkeerd; twee kilometer extra dus.
Een stukje voor Clermont (het stijgt al flink) ligt de abdij Val Dieu direct aan de weg (N650). Een toeristische trekpleister, aan de vele bussen en auto’s te zien. Tijd voor m’n eerste stempel, nu Maastricht mislukt is. Ik meld me in de winkel en sluit braaf aan in een rij toeristen die bier, koek en souvenirs willen afrekenen. Het duurt even. Geduld is een schone zaak. Nu kan ik ook even rusten en wat andere spieren gebruiken. Nadat ik de stempel heb gekregen ga ik verder. Naar Limbourg. Na 100 m. links ri ‘Ville historique’ steile klim 1 km, vermeldt het Sweermanboekje nr. 1. Dat klopt. Een heel steile klim. Te steil voor mij. Halverwege geef ik de strijd op. Lopen dus. Alhoewel, lopen? Het is meer de fiets met volle bepakking naar boven duwen. Niet leuk. Maar het zal deze vijf weken de enige keer  zijn, dat ik van de fiets moet.

Camping in Polleur

Na Limbourg is Polleur niet meer zo ver. Om half acht ben ik op camping Polleur aan de route Congres, een eindje na Polleur. Gelukkig wel aan de route. Op de teller staat 157,5 km. Niet te flauw voor de eerste dag. Dat zal ik niet meer doen, beloof ik Ietje als ik haar bel. Ik ga douchen en de tent opzetten. Gelukkig kan ik op de camping eten. De keuken is nog even open. Het wordt soep en daarna spaghetti, met warme appeltaart en espresso na. De espresso blijkt gewoon een kopje slappe koffie te zijn. Ze hebben ook wifi, maar de prijs die ze vragen is me te hoog. Het is al snel tijd om te gaan slapen. Vannacht zal het niet regenen. De bagage kan dus –grotendeels– buiten blijven. In het kleine enkeldaks tentje is te weinig plek. Ik bel weer met Ietje en ga daarna slapen. De nacht is wat onrustig want de spaghetti bolognese speelt een beetje op. Waar zit de regla Ph? Geen idee. Ik draai nog maar ‘ns om en probeer in slaap te komen. Dat lukt. Om zes uur breekt een nieuwe dag aan.

2e dag, maandag 13 juni 2011. 2e etappe: Polleur – Bastenaken, 98 km.

juli 31, 2011

Ontbijten en inpakken in Polleur

Het is zes uur als ik wakker word. Dat gaat vanzelf, ik heb geen wekker nodig. Zes uur lijkt vroeg, maar als je op tijd (rond acht uur) wil vertrekken, dan is zes uur een mooie tijd om op te staan. Half zeven kan nog net, maar later moet het niet worden. Ik verhuis al mijn spullen naar een open zaaltje met twee tafeltennistafels. Zo voorkom ik dat de buren wakker worden van mijn gerommel en ik kan de tafels gebruiken om mijn spullen in te pakken. De een dient ook als ontbijttafel en mijn tent ligt op de andere tafel te drogen. Het ontbijt bestaat uit een potje thee, enkele sneeën mueslibrood, kaas, Luikse wafels en banaan. Alles nog van huis meegenomen. Tijdens de Pinksterdagen zijn de winkels veelal dicht; proviand kopen kan pas vanaf morgen.

Om acht uur vertrek ik, nadat ik Ietje gebeld heb. Dat bellen rond acht uur zal een dagelijks terugkomend ritueel worden. De etappe begint met een klim naar La Reid. Ik neem een videoclip op. Het is behoorlijk druk. Er zijn veel auto’s met fietsen (meestal mountainbikes) achterop. In de buurt zal er wat te doen zijn. Na La Reid ga ik verder richting Stoumont. Een lange klim. Wel 13 kilometer. Soms ga ik niet harder dan 6,5 km/uur. In Stoumont drink ik koffie in een lege kroeg, Le Fagotin. Ik vraag de waard om een stempel. Die krijg ik. Dan gaat het verder richting Lierneux. Net buiten Stoumont sla ik linksaf naar de N645 en steek de Lienne over. Een eindje verder maak ik wat foto’s en neem ik een stukje video op.

De Lienne

De weg loopt langzaam omhoog. Links van de weg stroomt de Lienne. Een prachtige route. Om 13:15 uur ben ik in Lierneux. Ik stop bij een café midden in het dorp. Op het terras zit een gezelschap van een wielerclub. Het zijn Vlamingen (geen Belgen, laten me ze weten). Het café heeft niks te eten. Ik neem een biertje. De Vlamingen vertrekken. Daarna ga ik ook maar weer verder. Om 13:40 uur ben ik op de Col des Sets, 487m. Een uur later, net voor Montleban, bereik ik het hoogste punt in de Ardennen: 575 meter. Net daarvoor stop ik bij een alleenstaand huis rechts van de weg. Links ligt een houtzagerij. Ik begin een praatje met de bewoner van het huis, de waarschijnlijke eigenaar van de houtzagerij. Hij vertelt (o.a.) dat er wel meer fietsers langs komen. Vorige week nog twee man, eentje met een elektrische fiets. De accu was leeg. Ze hebben bij hem in de tuin gekampeerd en ’s nachts werd de accu opgeladen. Ik vraag hem hoe ver het naar de hoogste col is. Vlakbij zegt hij en hij wijst in de verte. Daar ligt hij. En als je daar overheen bent, is het nog maar 30 km naar Bastogne. Alleen maar dalen! Ik ga verder en moet helaas ondervinden dat de man ongelijk heeft. Het is niet alleen maar dalen, er zitten nog venijnige klimmetjes in. En de afstand tot Bastogne is meer dan 30 km.

Rond 16:00 uur leg ik aan bij café-restaurant Le Moulin de Bistain, uitgebaat door een Nederlander. Het staat in the middle of nowhere. In de buurt stroomt de Ourthe. Net na Boeur sla ik linksaf een fietspad op. Het is een oude spoorlijn. Dat is mooi. Een breed pad dat langzaam omlaag loopt. Gas erop! Het gaat miezeren. Ik rijd in een flink tempo door de miezer naar Bastogne.

Col de Sets

Daar aangekomen vraag ik een oude man de weg naar de camping. “C’est compliqué”, antwoordt hij. Hij stelt voor dat ik met hem mee loop, dan zal hij de weg wijzen. Hij schakelt over op het Duits en brengt me een paar straten verder. Als we op een grote weg zijn aangekomen geeft hij nog wat aanwijzingen. Ik krijg nog een schouderklop en dan stap ik weer op. Om 18:30 uur kom ik aan op de camping. Na het inchecken zet ik mijn tentje op op een groot grasveld. Ik ben bijna de enige. Er is nog één ander tentje. In het campingrestaurant kan ik vanaf zeven uur een maaltijd bestellen. Om negen uur sluit de keuken weer. De camping heeft wifi. Handig. Omdat er kans is op meer (en echte) regen, parkeer ik fiets en bagage in een hok naast het toiletgebouwtje. Er staan bouwmaterialen in, maar fiets en tassen passen er nog wel bij. Die worden in elk geval niet nat als de regen zou doorzetten. Het regent ’s nachts inderdaad, maar gelukkig niet al teveel. Vandaag heb ik 98 kilometer gefietst. Morgen naar Frankrijk.

Nagenoeg alleen op de camping in Bastogne

3e dag, dinsdag 14 juni 2011. 3e etappe: Bastogne – Dun-sur-Meuse, 110 km.

juli 31, 2011

Om acht uur vertrek ik uit Bastenaken/Bastogne. Op een druk kruispunt in de stad vraag ik voor de zekerheid of ik de goede weg kies: de N85 naar het zuiden. Ik krijg een bevestigend antwoord van een voorbijganger. Het terrein is heuvelachtig. Geen lange klimmen, maar wel continue op en af. Met soms lange afdalingen; de Ardennen laat ik achter me. Het wordt tijd voor koffie. In Lescheret denk ik wat gevonden te hebben. Het blijkt echter het dorpshuis te zijn, waar een clubje mensen (voornamelijk dames) onder leiding van een schilderes hun schilderkunsten oefenen. Ze hebben een paar grote kannen koffie staan. Geen punt, als ik koffie wil krijg ik koffie. Ik drink m’n beker koffie en bekijk het tafereel. Iedereen in de weer met kwasten, verf en doek. Het ziet er gezellig uit. Maar helaas, ik moet weer verder. In Rossignol is het tijd voor de lunch, het is al weer 12 uur. Koek, banaan en water. Ik maak foto’s van de kerk en een vervallen café. Om tien voor een ben ik in Jamoigne en daar steek ik de Semois over. Vervolgens navigeer ik weer ‘ns verkeerd.

Abdij van de Trappisten in Orval

De route loopt via Moyen en de N 840 naar de abdij van Orval. Ik volg de borden ‘Abbaye d’Orval’. Dan raak ik het spoor een beetje bijster. Ik vraag aan een paar dames of dit de juiste weg is. Ja hoor, gewoon rechtdoor. Maar ja, op een splitsing betekent rechtdoor een smal weggetje met een slecht wegdek. Links aanhouden kan ook, maar de weg is daar wel breder maar niet veel beter. Toch maar rechtdoor? Ik kijk op de kaart en vergis me in de locatie, blijkt achteraf. Ik denk in Pinsamont te zijn, maar ben in werkelijkheid een klein stukje ten zuiden van Jamoigne. Dus kloppen kaart en wat ik om me heen zie niet. Ik ben wel een spoor gepasseerd (kan ik terug vinden op de kaart) maar ik sta voor een splitsing die niet op de kaart staat. (Uiteraard wel, maar ik vergis me in waar ik ben). Ik besluit het erop te wagen en fiets het smalle, slechte weggetje op. Het wegdek wordt slechter en ik raak in een groot bos verzeild. Het ‘Bois de la Sablonnière’. De weg daalt flink. Als dit maar goed gaat. Omdraaien en de weg terug –omhoog– fietsen is feitelijk geen doen. Eindelijk, ik werd al een beetje ongerust, zie ik een muur. Dat is –hoop ik– de muur om de Abdij van Orval. Inderdaad. Na een paar honderd meter maakt de weg een haakse bocht naar rechts en ik sta op een parkeerterrein voor de Abdij van Orval. Thuis op de bank de kaart nog eens bestudeerd en dan is alles duidelijk. Ik heb een alternatieve route gevolgd vanaf Jamoigne. In boekje 1 staat die aangegeven als optie voor het traject zuid-noord, vanaf de Abdij van Orval. Een bezoek aan de Abdij zit er niet in. Daarvoor heb ik te weinig tijd. Ik maak wat foto’s, neem wat video op en maak een praatje met de chauffeur van een bus die net een horde Franse middelbare scholieren heeft vrijgelaten. Ze gaan de Abdij bezoeken. Dat zal gezellig worden denk ik. Als ik vertrek, vertrekt er ook een grote vrachtwagen met aanhanger, zwaar beladen met abdijbier. De abdij ziet er van buiten pico-bello uit. Blijkbaar is trappistenbier brouwen een goede business.

Oude grenspost bij Limes

Om 14:30 ben ik bij de Belgisch-Franse grens in Limes. Aan de Franse kant ligt Fagny. (foto) En om 16:30 arriveer ik in Juvigny-sur-Loison. Onderweg ben ik Montmédy gepasseerd. Die stad ligt op een heuvel. Ik heb geen zin die klim te maken en rijd door. In Louppy-sur-Loisson stop ik bij een kroeg. Ik drink een pilsje en vraag de waard om water, want het is warm. Twee bidons koud water krijg ik. Het water smaakt heerlijk. Dan bereik ik de camping in Dun-sur-Meuse. Het is kwart over zes. De receptie op camping Lac Vert Plage is niet bezet. Er is niemand. Ik zet mijn tentje op het grasveld aan de Maas. Er zijn wel een paar andere fietsers. Naast me staat een man die op een ligfiets door noordwest Frankrijk aan ’t fietsen is. Morgen gaat hij richting Luxemburg. Hij geeft hoog op over zijn ligfiets. Want ‘dan zie je veel meer. Gewone fietsers hangen met hun neus op het stuur en zien niks’. Ik laat hem maar zo wijs. Hij is wel zo vriendelijk me erop te wijzen dat de supermarkt vlakbij is en mogelijk al snel sluit. Dat blijkt te kloppen. Het supermarktje ‘La Coccinelle’ sluit al om zeven uur. Vroeg voor Franse begrippen. Ik koop eten voor deze avond en voor morgen. Onder andere twee ‘rollmops’-sen, een blikje fusilli met gehakt, brood en worst, want de Jan Lindersworst uit Beek en Donk is inmiddels op. Het is mooi weer en ik kan nu een gemakkelijk potje klaar maken. Morgen verder.

4e dag, woensdag 15 juni 2011. 4e etappe: Dun-sur-Meuse – Chalons-en-Ch, 115 km.

juli 31, 2011

Het is weer acht uur als ik vertrek. Achteloos sla ik bij de camping rechtsaf, steek de Maasbrug over en ga weer rechts. Dan zit ik weer op de weg waarop ik gisteren ook fietste. Ik ga er zonder nadenken vanuit dat die weg gewoon verder door loopt naar het zuiden. Het is de D964. Die loopt inderdaad naar het zuiden maar dan wel naar het zuidoosten. Richting Verdun. Ook mooi, maar wel de verkeerde kant op. Ik moet naar het zuidwesten, de D998 richting Varennes-en-Argonne. Na een tijdje kom ik er achter dat ik de verkeerde route heb gekozen. Omdraaien en terug naar de camping. In plaats van rechtsaf sla ik bij de campinguitgang nu linksaf. Net voor Bantheville komen me twee fietsers tegemoet. Met bepakking. Het is een Frans stel op fietsvakantie. We stoppen en beginnen een gesprek. De ontmoeting eindigt met een video-opname waarin het stel me vriendelijk toespreekt en me een prettige reis wenst. Ik stap weer op en maak een stukje video al rijdend op de fiets. En verderop een clip terwijl ik stil sta. Om 09:30 ben ik in Romagne-sous-Montfaucon.

Romagne, Amerikaans oorlogskerkhof ’14-’18

Rechts van de weg ligt een Duits oorlogskerkhofje. Linksaf, aan de D123 richting Cunel ligt een enorm groot Amerikaans oorlogskerkhof (ruim 14.000 graven). Ik bezoek het Duitse kerkhof (WO-1) en maak er een video.

Het ziet er wat somber uit. Er liggen verschillende Feld-webels en Sturm-commandanten. In Varennes drink ik koffie, eet wat koek en drink het erg lekkere water dat ik gisteren kreeg. Na Varennes voert de D38 door een groot bos. Links van de weg het ‘Foret de Lachalade’ en rechts van de weg het ‘Bois de la Gruerie’. Ik passeer het ‘Abri du Kronprinz’ (750 m naar links) en een Arboretum. Daar gaan we wel naar toe als we deze route per auto herhalen. Volgend jaar, samen met Ietje. Wel maak ik een video op het punt waar de borden naar het Abri en Arboretum staan. In Vienne-la-Ville houdt het bos op en gaat het terrein over in akkers en weiden. Een stukje voor Courtémont maak ik een video van een graanveld en van een veld met paarse bloemen. Geen idee wat het is. Het eerste dorpje na Courtémont heet ‘Hans’. Leuke naam voor een Frans dorpje, denk ik. Dat hebben er meer gedacht, zal zo blijken. In Hans stap ik het gemeentehuis in.

De burgemeester van Hans doet stukken op de post

De deur staat open en de burgemeester (Gabriel Duhal) zit achter een bureau wat te schrijven. Ik vraag om een stempel en begin over de naam van zijn dorp. Schot in de roos. Hij weet inmiddels dat Hans een Duitse voornaam is. Want, zo gaat hij verder die “….-Duitsers hebben al twee keer het plaatsnaambord gestolen!!”. De verbale verwensingen richting de Duitsers gaan gepaard met niet mis te verstane gebaren van dezelfde strekking. Dat Hans ook een Nederlandse voornaam is en dat de dieven dus niet per se Duitsers geweest hoeven te zijn, houd ik wijselijk voor me. Als hij buiten iets in een brievenbus stopt, maak ik een foto.

Om 15:45 ben ik in St. Remy-sur-Bussy. Ik maak een paar foto’s van prachtige bossen lavendel met veel vlinders en bijen. Wat verderop passeer ik de A4, de Autoroute de l’Est. Er staat een stevige zuidwestenwind bij 23 graden. Kort daarop komt Châlons-en-Champagne in zicht. Deze stad ligt geheel tussen de graanvelden. Anders dan de naam doet vermoeden, is er geen enkele druivenstruik te zien. Ik vermoed daarom dat ze champagne toch van graan maken. Een soort jonge jenever dus. Met bubbels en een lager alcoholpercentage.

In Châlons-en-Champagne is het even zoeken naar de camping. Ik stap een soort makelaarskantoor binnen (zo lijkt het) en vraag de weg. Een behulpzame dame geeft me een plattegrond van de stad.

Niet de kathedraal van Chalons…

Al fietsend door de stad heb ik wel een kerk gezien maar dat was waarschijnlijk niet de kathedraal. Waar die staat, geen idee. Geen stempel dus. Mogelijk morgen. De camping vinden is nu belangrijker. Het is inmiddels al na zessen. Nu ik een kaart heb vind ik de camping gemakkelijk. Ik zet het tentje op en wil naar een supermarkt. Ik fiets de camping af en vraag aan een stel waar een supermarkt is. Vlakbij, antwoorden ze. Wat links en rechts en ik ben er. In een grote Carrefour koop ik cider, een kalfslapje, ratatouille en tomme de Savoye. Daarna terug naar de camping en even douchen. Bij de douches moet ik even wachten en ik raak in gesprek met twee Britten die ook staan te wachten. Ze komen uit Middlesborough. Op de camping heb ik enkele buren: twee Belgen en een Nederlander. Plus het Franse stel dat me de weg wees en enkele andere Fransen.
Een van de Belgen is meneer A. Baumans, een Franstalige Belg die ook goed Vlaams spreekt.

Het protoype van een pelgrim

Hij is een wandelaar richting Santiago en -in mijn ogen- het prototype van een pelgrim. De volgende dag zal ik ‘m op de foto zetten. De andere Belg spreek ik vandaag niet. Dat zal gebeuren als ik hem later in de week weer zie. Op andere campings. Hij blijkt dan Andreas te heten en hij komt uit Zoersel, bij Antwerpen. De Nederlander is een jongeman die gesponsord naar Santiago op weg is. Hij zamelt geld in voor Kika, het kinderkankerfonds. Hij loopt alleen; zijn vrienden die eerder beloofd hadden mee te gaan hebben stuk voor stuk afgezegd. Tot hij als enige over bleef. Hij vertrok wel. Ik wens hem veel succes, maar ik moet het nog zien. Santiago is nog heel ver en hij ziet er niet uit als een doorgewinterde loper. Meneer Baumans zal Santiago ‘zeker en vast’ wel bereiken. Ik warm de ratatouille op en bak m’n lapje vlees. Eerst werk ik een fles cider weg. Lekker, na zo’n dag met veel wind op kop. Afwassen en gaan slapen. Alhoewel, ik raak in gesprek met de Kika-jongen en het wordt al wat donker.

‘Nous dormíng’ roepen ze uit het Franse tentje. Ja, ja, we zullen ons gesprek staken. Zij waren vanavond ook niet zo sociaal. Zoals dat wel meer gebeurt op Franse campings ontstaken ze een barbecue. Een echte franse barbecue wel te verstaan. Veel rook en stank, want ze gooien er van alles op. Als het maar brandt.

Afijn, het is al laat en ik ga slapen. Morgen staat Troyes op het programma.

5e dag, donderdag 16 juni 2011. 5e etappe: Chalons-en-Champagne – Troyes, 105 km.

juli 31, 2011

Het is weer acht uur als ik op het punt van vertrek sta. Eerst ‘moet’ ik echter nog een foto maken van het protoype van de pelgrim naast me: Meneer Baumans. Ik beloof hem de foto te mailen, iets wat inmiddels gedaan is. Als ik van de camping weg rijd staat hij bij de receptie om brood te kopen. Hij maakt een foto van mij. Mogelijk krijg ik die nog ooit te zien. Ik kom langs de kathedraal. Even kijken of hij open is. Ik rijd een rondje om de kerk. Nee, het zal nog te vroeg zijn.

Graanvelden en graansilo's rond Chalons

Het landschap is betrekkelijk saai. Alleen maar graanvelden. Zo ver je kunt kijken. Er groeien wel tien verschillende soorten graan (koren) op de diverse velden. Je kunt de verschillen goed zien, maar er staan geen bordjes bij. Het blijft dus een open vraag welke graansoorten het zijn. Her en der staan enorme graansilo’s. Tientallen meters hoge betonnen tonnen met een behoorlijk doorsnee: 20 meter schat ik. En niet één, maar wel tien in een dubbele rij naast elkaar, keurig in het gelid. Het waait behoorlijk. In open veld is dat niet leuk. Met name niet als de wind uit het zuidwesten waait en dus vol op kop staat. Kilometers aan een stuk. Ik moet denken aan de ligfietser. Bij deze weersomstandigheden is mijn hoofd inderdaad naar beneden gebogen en zie ik niet zoveel van de omgeving. Nou hoeft dat niet, want het is toch alleen maar hetzelfde: graanvelden met her en der graansilo’s. Ik word een stukje voor Dommartin-Lettrée ingehaald door een jongere fietser. Laat maar gaan, denk ik. Ik kom er ook wel. In Dommartin-Lettrée maak ik een paar foto’s. Om 12:00 uur leg ik aan in Poivres, vlakbij Mailly-le-Camp. Ik neem het dagmenu en vraag om water voor de bidons. Het restaurant drijft –vermoed ik– grotendeels op de eetlust van de manschappen van het Camp Militaire de Mailly, aan de overkant van de weg (de D198).

Oud legermateriaal

Langs de weg staan een paar oude tanks. Die zet ik op de foto en ik maak een videoclip. Verderop bij Dosnon staan roze klaprozen. En aan de andere kant van de weg staan gele bloemen, het is jacobskruid, leer ik veel later: foto’s!! Weer wat verderop, bij Lhuitre fotografeer ik graansilo’s. Enorme kolossen. Bij St. Nabord-sur-Aube fotografeer ik de bijbehorende rivier. Nog steeds alleen maar graanvelden. En de wind zwelt aan. Klimmen wordt een stuk lastiger. Geen enkele beschutting is er. Dus ik vang de wind vol van voren. Eindelijk doemt Troyes op. Het is 18:15 als ik op de camping aan kom. Deze ligt in een voorstadje (Pont Ste. Marie) van Troyes, nog geen100 metervoor het bord ‘Troyes’. Ik zet m’n tentje op. Als buren heb ik Andreas en Johan. Andreas stond ook naast me in Châlons-en-Champagne en hij fietste me vanmiddag voorbij. Hij is Vlaming en komt uit Zoersel bij Antwerpen. Evenals ik is Andreas op weg naar Santiago. De ander is Johan. Hij is ook Vlaming, maar maakt een vakantietrip per fiets. Hij gaat richting Tours en van daaruit terug naar België. Ik schat Andreas op 22 jaar en Johan op 35. Johan nodigt me uit met hen mee te gaan naar de Quick. Een fast-food tent à la MacDonalds. Niet mijn favoriete eetgelegenheid maar ik wil de uitnodiging niet afslaan. We lopen er naar toe en ieder bestelt zijn maaltje. Een vette hap die met cola wordt weggespoeld. Er staan veel Nederlanders op de camping. Niet allemaal van de beste soort, zo lijkt het. Maar bij een van hen klop ik aan om mijn iPhone op te laden. Het zijn Groningers, vertrouwd volk. Om alle misverstanden te voorkomen vraagt de Groningse meneer van de caravan me of ik de iPhone helemaal wil uitzetten. Dan kan ik hem later er niet van betichten stiekem met het apparaatje gespeeld te hebben. Die Groningers denken ook overal aan!! Rond tien uur haal ik mijn apparaatje weer op. Voldoende opgeladen voor weer een paar dagen. Ik ben zuinig met het stroomverbruik. Het ding staat veel uit; als telefoon –continue bereikbaar– heb ik een goedkoop prepaid Samsung telefoontje. De iPhone is voor mail, sms, twitter, de wordpress-blog, het weer en nog een paar apps.

6e dag, vrijdag 17 juni 2011. 6e etappe: Troyes – Auxerre, 102 km.

juli 31, 2011

Als ik van de camping wegrijd, rijd ik meteen Troyes binnen. Ik wil eerst naar de binnenstad voordat ik de route in het boekje verder volg. Ik bereik de kathedraal. Maar alles lijkt nog potdicht op dit vroeg uur.

De markt in Troyes is net open

Dan maar naar de markt. Dat is voor mij altijd een prachtige plek om te zijn. Zeker in het buitenland. Ook in Troyes is de markt overdekt en eigenlijk een groot warenhuis voor etenswaren: van vlees en vis tot groente, fruit en kaas. Fleurig om te zien. En te likkebaarden bij de prachtige kersen, de mooie verse vis en het net uitgebeende varken. Ik drink koffie in een van de cafeetjes vlakbij de markt. Dan heb ik het wel gezien. Ik vind Troyes niet zo’n interessante stad. Ik ga de route weer opzoeken. Helaas laat mijn ingebouwd kompas me in de steek. Ik vertrouw daar blindelings op en meestal gaat dat goed. Nu niet. Ik rijd een rondje en kom weer uit waar ik begon. Na wat zoeken en vragen –niet iedereen kan antwoord geven– vind ik ‘the way out’. De zon is daarbij weer een uitstekend referentiekader. Ik was vroeg vertrokken (07:30) maar heb deze voorsprong op het normale schema (vertrek om acht uur) helemaal –zo niet meer– verspeeld door mijn gezoek in Troyes.

Om elf uur koop ik brood net voorbij Jeugny. Daar zie ik een bakkersauto stoppen bij wat vrijstaande huizen langs de weg tussen Jeugny en Fays-la-Chapelle. Aangezien mijn voorraad brood en koek op is komt dat goed uit. Ik meld me bij de bakker. Er zijn twee andere klanten. Oude dames van de huizen langs de weg. De een vertelt dat ze al 87 is. Ik ben in haar ogen nog jong. Klopt, zo voel ik me ook. De mededeling op weg te zijn naar Santiago oogst alom bewondering. Niet iedereen begint aan zulke tocht. “Bon courage!”. Een typisch Franse wens die ik nog vaker te horen zal krijgen.

Vakwerkhuizen in Jeugny

Evenals de waarschuwing “Sa monte!!”, in streken waar de weg flink omhoog gaat. Net voor Montigny-les-Monts staat op de kaart een uitzichtpunt aangegeven. Het zicht is er inderdaad weids. 360 graden in de rondte. Ik neem weer wat video op. Verderop ontmoet ik een Belgisch stel. Hij is Vlaming, zij komt uit Wallonië. Ze zijn op fietsvakantie en rijden van zuid naar noord. Ik kom wel meer fietsvakantiegangers tegen. Ze hebben speciale fietsen en professionele, waterdichte fietstassen. GPS voor op het stuur om te navigeren. Dit stel presenteert zich als de oplossing voor België. Vlamingen en Walen die in harmonie leven. In Evry-le-Chatel stop ik voor de lunch. In het dorp is de markt net afgelopen. Ik stap een restaurantje binnen en vraag om het dagmenu. De ober gaat voor me staan en trekt het gezicht van “I will tell this only once, listen carefully!”. Hij begint: “We hebben vispaté of salade, daarna zalmmoot of varkensvlees. Wilt U kaas? En wat als dessert?” Ik kies de vispaté en het varkensvlees. Daarna een kaasplank, nog zo groot, met vrije keuze. Ik pak vier soorten, waaronder een groene aderkaas. Ik begin het eindelijk te leren. Als dessert: doe maar ijs. Fraises s.v.p.

De T.G.V. raast voorbij

Het laatste deel van de etappe van vandaag heeft nog een paar pittige hellingen in voorraad. Net voorbij Jaulges kruis ik de T.G.V-lijn Parijs-Lyon. Ik rijd onder de  spoorlijn door en hoor een T.G.V. aankomen. Snel parkeer ik mijn fiets, pak mijn camera en druk af. Tot mijn stomme verbazing is de foto gelukt. Ik heb de T.G.V. goed scherp te pakken, op het punt dat twee treinstellen, aan elkaar gekoppeld, over het kleine viaductje over de D124 razen.

Mijn plan om van de planning af te wijken en15 kmonder Auxerre op een camping te gaan staan laat ik maar weer varen. Om 18:30 ben ik op de camping in Auxerre. Die ligt tegenover het voetbalstadion aan de zuidkant van de stad. Ik moet denken aan PSV dat in dit stadion ooit een paar smadelijke nederlagen heeft geleden. Het weer is slecht. Wind en wat regen. Mogelijk komt er meer regen vannacht. Ik moet dus wat verzinnen voor een droge opslag van fiets en fietstassen. Eerst naar de ATAC om wat eten te kopen. Ik neem weer een fles cider, wijn, pet’t brebis en een pot witte bonen in  tomatensaus en wat varkensvlees. Allemaal in één blik. Opwarmen en klaar. We eten gezamenlijk. In die zin dat ieder van ons drieën (Johan, Andreas en ik) bij elkaar gaan zitten en ieder een eigen potje koken. Andreas heeft een pastagerecht: spaghetti in een witte saus. Hij neemt thee na. Met honing. Hij is liefhebber van honing en heeft een pot in zijn bagage zitten. Johan krijgt ook een kopje thee-met-honing. Ik bedank en neem een stukje schapenkaas met een slokje wijn.

Andreas vertelt dat hij student psychologie is, op kot in Leuven, maar hij is dit jaar halverwege gestopt. Zijn gekozen richting (in de psychologie) ‘zorg’ bevalt hem niet. Hij wil nu naar het bedrijfsleven. Wat is niet duidelijk, maar hij ziet kansen voor een baan als psycholoog bij een of ander bedrijf. Johan praat en vraagt; ik laat hun gesprek maar voortkabbelen. Later spreek ik Johan nog over ‘België’, de tegenstellingen Vlaanderen en Wallonië.

De Serein nabij Ligny-le-Chatel

En over BHV: Brussel, Halle, Vilvoorde. Halle en Vilvoorde zijn twee randgemeenten van Brussel die Vlaams willen blijven. Er zijn rare ‘toestanden’ in die streken. Zo kan Johan –als hij voor de rechter gedaagd wordt–, verplicht worden de rechtszaak geheel in het Frans af te werken. En zo kunnen Walen Franstaligen opvoeren op kieslijsten in de Vlaamse randgemeenten van Brussel, maar omgekeerd kunnen Vlamingen zoiets niet. Ik begrijp van hem dat de Walen België zien als een Franstalig en een op Frankrijk georiënteerd land, waar ‘toevallig’ wat Vlamingen wonen. Deze Vlamingen hebben al zoveel gekregen: ze mogen Nederlands spreken en eigen politieke partijen hebben. En nu willen ze nog meer. Het moet eens ophouden! Het moet gezegd, zegt Johan. Het is nog niet zo gek lang geleden dat België inderdaad zeer Frans georiënteerd was. Doodnormaal. En het heeft zich niet voor niks in 1830 losgemaakt van de Nederlanden.

De avond valt, we moeten gaan slapen. Johan stelt voor de ochtend erop gedrieën in de kantine van de camping te gaan ontbijten. Er zal niks van terecht komen. Ik stal fiets en bagage in het toiletgebouwtje vlakbij mijn tentje. Als het regent dan is alleen mijn tentje nat. Er ligt weinig in. Alleen die dingen die ik per se onder handbereik wil hebben.

7e dag, zaterdag 18 juni 2011. 7e etappe: Auxerre –Vézelay, 69 km.

juli 31, 2011

Om 08:30 vertrek ik van de camping in Auxerre. Johan heeft om 08:10 afscheid genomen en sprak niet meer over samen ontbijten. We zullen hem niet meer zien, zegt hij. Hij gaat richting Tours, Andreas en ik gaan richting Vézelay. Maar Johan vergist zich. In Nevers zullen we elkaar weer zien. Maar dan echt voor ’t laatst. Andreas vertrekt ook. Hij heeft wat haast en wil vandaag (een eind) voorbij Vézelay stoppen. Ik heb geen haast. Vézelay is niet ver en ruim de helft van de etappe is vlak. Het traject loopt tot Châtel-Censoir langs de Yonne. Dus neem ik een ontbijtje in de kantine. Gelukkig heeft het vannacht niet of nauwelijks geregend. Geen problemen dus met tent of bagage.

Fietspad langs de Yonne

Het traject langs de Yonne is prachtig. Meer precies: Vanaf Cravant loopt de fietsroute langs het kanaal (Canal du Nivernais) dat parallel aan de Yonne loopt. De afstand tussen beide waterlopen is soms niet meer dan 100 meter. In het zeer smalle kanaal zijn sluisjes. De scheepvaart is uitsluitend pleziervaart. Bij alle sluisjes staan kleine huisjes. Hierin zit de sluiswachter. Meestal een (jonge) vrouw, soms met haar baby in een stoeltje naast haar. In de Yonne zwemmen zwanen. Ik zet ze op video.

Sluisje in Canal de Nivernais

Na een hele tijd het langs de Yonne resp. het Canal du Nivernais, stop ik in een dorpje voor de lunch. Er blijkt niks open in het dorp. Dus wordt het een lunch uit de tas. Terwijl ik daar sta kijk ik om me heen. Ik sta vlakbij een kruising. De tekst op de borden op de kruising die naar verschillende richtingen de weg wijzen bevallen me niks. Rechts van mij is een bord dat het einde van het dorpje aangeeft. Wáár ben ik? Ik loop er heen en lees wat er op staat: Lucy-sur-Yonne. Hoezo Lucy-sur-Yonne?? Dat plaatsje ligt niet op de fietsroute. Ik speur de kaart af naar de naam Lucy-sur-Yonne. Eindelijk vind ik het. Het ligt bijna zes kilometer ten westen van Châtel-Censoir. Aan het Canal du Nivernais, dat weer wel. Ik snap de borden op de kruising nu een stuk beter. Wat nu? Er zijn twee opties. De eerste is terug naar Châtel-Censoir. De andere optie is vanuit Lucy-sur-Yonne over de D224 naar Avrigny, twaalf kilometer voor Vézelay. Ik kies voor de 2e optie, langs het kasteel Faulin. De D224 blijkt een paar vrij lastige klimmetjes te bevatten. Ook maak ik een bijna aanrijding met een ree mee. Een paar meter voor me steekt een ree de weg over. Links van mij hoor ik gedoe. Ik zie een ander ree in de greppel liggend moeite doen om op te staan. Het is uit het bos gekomen en in de greppel gestruikeld. Het krabbelt overeind en steekt achter me de weg over. Wat er was gebeurd als de ree niet was gestruikeld zal onbekend blijven. Maar een botsing met mij was een zeer realistische mogelijkheid.

Zicht op Vezelay

In Avrigny kom ik weer op de route, de D100, verderop de D36, richting Vézelay. Ik ga naar de camping. Die ligt even ten zuiden van Vézelay. Daar zet ik het tentje op en vervolgens ga ik naar Vézelay. Ik parkeer mijn fiets onderaan het stadje en leg ‘m aan een paal vast. Dan ga ik te voet de stad in. Ik ga direct naar de kathedraal boven in de stad een stempel halen. Er zit een streng kijkende mevrouw achter de balie in de kerk. Mijn credential wordt nauwlettend bestudeerd. Er worden wat vragen gesteld, want de stempel die ik in Uden kreeg (op 29 mei in het museum voor religieuze kunst) zorgt voor enige verwarring. Wanneer ben ik begonnen? Ik wijs de stempel van de Abbaye du Val-Dieu (gekregen op de eerste dag) aan. Ik heb er zelf de datum bij gezet: 12 juni. Oké, het wordt haar duidelijk. Nog een blik over het geheel en ze plaatst een stempel in mijn credential. Na een kort bezoek aan de kerk ga ik naar het pelgrimsrefuge direct naast de kerk. Ik loop onder de poort door en aan de rechterkant is een heel klein gebouwtje waar iemand in zit. Een vrijwilliger die pelgrims opvangt. Of ik een slaapplek zoek, vraagt hij. Nee, merci, ik sta op de camping. Ik blijf even om wat te keuvelen en weer een stempel te scoren. Buiten is het bewolkt met soms wat regen. Het is frisjes.

Cafe Cabalus in Vezelay

Dan naar café Cabalus. In dat café hebben Ietje en ik vorig jaar koffie gedronken met een heerlijk stuk chocolade- cake erbij. Ook het interieur van de locatie is geweldig. Foto’s. De bediening gebeurt door bijzondere dames. Zo zien ze er tenminste uit. Het zijn geen uitzendkrachten of gesjeesde studenten. Wat ouder en met een kunstzinnige blik in de ogen. Die blik verklaart ook het aanzien van het interieur. Er is niet zomaar wat bij elkaar gezet. Ik weet ‘t: je mag niet op het uiterlijk van een mens afgaan, maar deze dames hebben wat. Dat is wel duidelijk. Aparte types.

Daarna inkopen doen. Een pelgrim is de hele dag bezig. Als het niet met fietsen is dan is het wel met te besluiten waar wat te kopen. Met inkopen doen, koken, het ontbijt van morgenvroeg regelen en de route verkennen. En nog tal van andere dingen. Het is een druk bestaan. Goed dat ik een plan heb. En dat het plan tot nu toe ijzersterk is gebleken. De uitvoering evenwel ook. Dat moet ik mezelf nageven. Ik ga met de boodschappen weer terug naar de camping. Inmiddels is de ‘acceuil’ bezet en kan ik me inschrijven. Vier euro voor een nachtje. En ik krijg een plankje met koord met het cijfer 2 er op. Morgenvroeg te deponeren in een ‘brievenbusje’ buiten aan het gebouwtje. Ik opper dat ik dat nu wel meteen kan doen. Dan vergeet ik het morgen tenminste niet. Nee, dat is niet de bedoeling. Ik moet echt tot morgenvroeg wachten en het plankje met het koordje nu aan mijn tentje bevestigen. Braaf als ik ben volg ik de gewenste procedure.

Hoofdstraat in Vezelay

Weer terug naar Vézelay. Nu om te gaan eten in een restaurant. Ik kies een restaurant aan de voet van het stadje, buiten de stadsmuur aan het plein. Eigenlijk het eerste het beste restaurant vanaf de camping. Ze hebben wifi, staat aangeplakt en dat helpt bij mijn beslissing. Aangezien de keuken nog niet open is bestel ik een biertje met wat erbij en nestel ik me in de lounge in een grote stoel. Ook vraag ik om elektriciteit om mijn iPhone en videocamera op te laden. Er worden wat stekkers los getrokken en ik kan vooruit. Wat twitteren, wat bloggen, mail lezen en beantwoorden en de laatste weersverwachtingen opvragen. De tijd vliegt en de ober komt vertellen dat ik aan tafel kan. Het eten is matig, zeker gezien de prijs. Maar afijn, ze hebben wifi en ze hebben niet alle drankjes gerekend. Zand erover. Niet mauwen.

In de avond heb ik een lang gesprek met Duitse buren. Zij zal ergens in de 60 zijn. Hij trouwens ook. Een beetje alternatief. Mogelijk zijn het Ossies. Alternatief in de zin dat de zij van het stel vanmiddag jam heeft ingemaakt van de wilde aardbeien die ze ’s middags geplukt hebben. Ook in de zin dat zij niks om haar uiterlijk geeft. Ze loopt erbij zoals ze is. En hij heeft een bos grijs haar dat alle kanten opsteekt. De voertaal switcht van het Duits naar het Engels met soms wat Nederlands (ze wonen bij Enschede, net over de grens). Soms ook wat Frans.

Vezelay, de schelp in het straatbeeld

We spreken over van alles: de politiek, ‘Frau Merkel’, de banken, de Griekse schuldencrisis, de jam van wilde aardbeien en de oorlog. WO-2. Hoe we erop komen dat de Duitsers in Noorwegen veel schade hebben aangericht, weet ik niet meer. Wat me wel is bij gebleven is dat zij vooral benadrukte: “Wir haben es nicht gewusst.” Ze bedoelt dat ze er op school nooit over gehoord heeft. Ja, dat geloof ik. De Duitse overheid zal er wel voor uitgekeken hebben de misdaden van de Nazi’s aan de grote klok te hangen. Ik kreeg vroeger op school ook alleen te horen over de heldendaden van Piet Hein. Naar het schijnt is deze zeeman ook niet erg braaf geweest. Maar daar hoorde je niks over.

Het is bijna donker als ik ga slapen. Morgen sta ik om zes uur weer op!

8e dag, zondag 19 juni 2011. 8e etappe: Vézelay – Nevers, 100 km.

juli 31, 2011

Het is 07:30 als ik vertrek uit Vézelay. Het plankje zit in het brievenbusje. Ik ben vanochtend om zes uur opgestaan en heb mijn hele hebben en houden weer verhuisd naar het toiletgebouwtje. Dat staat een stukje van de kampeerders af. Zo voorkom ik dat de buurt wakker wordt door mijn gerommel. En ik kan de voorzieningen van het toiletgebouwtje gebruiken om een ontbijt klaar te maken en de spullen goed in te pakken. Het veelvuldig opbreken heeft efficiency in het ochtendritueel gebracht. Ik ben nu in anderhalf uur klaar voor vertrek. Eerst ga ik even naar het restaurant waar ik gisteren was om de wifi-verbinding te gebruiken. Als ik voor de deur sta, vertrekt van het plein een groep met Harley-Davidson motoren. Ik luister naar het typische geluid.

Bazoches, kerk met graf van Vauban

Om 09:00 ben ik in Bazoches. Tijd voor koffie. Ik parkeer mijn fiets en loop het dorpje in. Ik beland in de kerk. Daarin blijkt het graf te zijn van Marechal Vauban. In Bazoches staat ook het kasteel van Bazoches, de residentie van de familie Vauban. Vauban is de architect van vele vestingwerken in Frankrijk. Je komt zijn nalatenschap regelmatig tegen. Hij leefde ten tijde van Lodewijk de 14e. Het hart van Vauban is in opdracht van Napoleon bijgezet in Hôtel des Invalides in Parijs. Nadat ik het dorpje (gehucht kun je ook zeggen) heb gezien, drink ik koffie en eet ik wat in het café aan de route. Ook koop ik er een baguette. Ik heb video-opnamen en foto’s in Bazoches gemaakt.

Twaalf km voor Corbigny op de kruising D42/D95 sta ik een banaan te eten en van het uitzicht te genieten. Een mevrouw stopt en vraagt of ik in Corbigny wil overnachten. Of dat het te vroeg is. Ja, natuurlijk is het te vroeg. Maar bedankt voor het aanbod. Wat later passeer ik Corbigny. Het is weer veel klimmen en dalen vandaag; ik rijd door het noordwesten van de Morvan.

Lunchen uit de tas in St. Reverien

Om één uur ben ik in St. Reverien en eet wat uit de tas. Er zijn weinig dorpjes met een eetgelegenheid. Maar zo kan het ook prima. Reden temeer om altijd eten op voorraad te hebben. In de buurt van Balleray word ik ingehaald door twee man. Ze zien eruit als leden van een fietsclub. Ze komen uit Geldrop. De een is 74 en duidelijk de leider. De ander is heel stil en zegt geen woord. Ze (in ieder geval de man van 74) gaan duidelijk voor de prestatie. Geen tijd om wat dan ook te zien. Of om ergens een foto te maken. De man van 74 merkt op dat ik in een lage versnelling rijd en dus veel omwentelingen maak. Hij bedoelt te zeggen dat ik niks van fietsen begrijp en hij wel. Hij rijdt veel zwaarder en heuveltje op staat hij op de pedalen. Als een echte van Impe of Indurain ‘danst’ hij de heuvel op. Zo moet het, zegt zijn lichaamstaal. In woorden zegt hij ’t nog net niet, maar het scheelt niet veel. Ook mijn ketting krijgt kritiek: smeren. Hij heeft wel olie. Hierin heeft hij wel gelijk. De ketting is zo droog als een overjarige sinaasappel. Nee, bedankt, ik heb zelf olie. We doen een soort haasje over. Als zij weer op de kaart moeten kijken of een blad van de kaart moeten wisselen, rijd ik hen weer voorbij. Daarna halen ze mij weer in. In Nevers verliezen we elkaar uit het oog. Zij gaan naar een hotel. Later spreek ik drie mannen uit Goirle. Ook zij hebben de twee ontmoet en weten meteen over wie het gaat. Kan niet missen. Zij weten te vertellen dat de vrouwen van deze twee elke dag een onderkomen in een hotel voor de komende nacht organiseren. Op veel sympathie van de drie musketiers uit Goirle hoeven de twee uit Geldrop niet te rekenen. Ietsje teveel ‘kijk mij ‘ns goed bezig zijn’.

Om zes uur ben ik in Nevers. Ik volg de borden ‘camping’. Die blijkt helemaal aan de zuidkant van Nevers te liggen. Aan de overkant van de rivier de Loire. Prima, blijkt later. Want ook het stadscentrum met o.a. de kathedraal ligt aan de zuidkant van de stad. Ik hoef alleen de brug over en ik ben er. Op de camping ‘bemant’ een Nederlandse juffrouw de receptie. Ik sluit aan in de rij. Johan en Andreas staan er toevallig ook. Dat ik Andreas zie, kon ik verwachten. Zijn plannen zijn altijd wat te ambitieus gebleken. Maar Johan is een verassing. Hij zou toch naar Tours gaan!? Het is de laatste keer dat ik beiden zie. Johan gaat inderdaad naar Tours en Andreas wil nu echt zijn plannen verwezenlijken. De volgende ochtend is hij al vroeg weg. Hij geeft gas. Later zie ik nog dat hij één dag voor me in La Souterraine was. Zijn naam prijkt in het gastenboek van de kerk. Ik zet mijn tentje op direct aan de Loire. Er zit schat ik twee meter tussen het tentje en het water. Aan de overkant zie ik de stad en de kathedraal.

Nevers, Cathredal St. Cyr et Ste. Julitte

Ik probeer nog een stempel te scoren in de kathedraal, maar dat mislukt. De kerk is open, maar er is niemand die een stempel kan zetten. Dan maar naar de kroeg voor een biertje. Tegenover de kroeg is een Japans restaurant. Ik vraag daar wanneer de keuken open gaat. Even weer naar de camping (het is alleen maar de brug over) en daarna naar de Japanner. Ik neem een menu en heb een vaag idee wat ik ga krijgen. Het is lekker. Een voorgerechtje, een onbekend soepje en een paar soorten vis. Het zijn blokjes vis aan een stokje geregen (zoals saté) en dan gebakken/geroosterd. Plus wat reuzengarnalen, met wat sausjes erbij. En rijst uiteraard. Het bestek bestaat uit twee stokjes. Ik maak de fout door als aperitief om sake te vragen. Nee dat is geen goed idee zegt de serveerster. Sake is een warme drank en past niet als aperitief. Ze serveert een voorgerecht/aperitief in de vorm van een rozig drankje met onder in het glas een lychee. Ook lekker.  Het nagerecht is een uitgeholde met ijs gevulde citroen, direct uit de diepvries van min 20 graden. Na dit maaltje ga ik terug naar de camping. Het cafeetje tegenover de Japanner waar ik ’s middags een lekker en apart biertje dronk, heeft een ‘zanger’ ingehuurd. Die stoot verschrikkelijke klanken uit. Er zit dan ook nauwelijks publiek rond het ’s middags aangelegd podium. Te begrijpen. Ik wens de bediening van het Japanse restaurant sterkte. Op de camping neem ik nog wat stokbrood, wijn, pinda’s en een stukje schapenkaas. Daarna slapen. Het is druk met kamperende fietsers. Nevers blijkt een punt te zijn waar veel fietsroutes elkaar kruisen. De meeste kamperende fietsers zijn duidelijk lange afstandsfietsers. Daar hoor ik –brave pelgrim– niet bij. De contacten met Johan en Andreas beperken zich tot een keer zwaaien naar elkaar. We zijn uitgepraat. Morgen niet vergeten lippencrème, batterijen en theezakjes te kopen!

9e dag, maandag 20 juni 2011. 9e etappe: Nevers – St. Amand-Montrond, 78 km.

juli 31, 2011

Het vertrek van de camping is vandaag weer op de normale tijd: acht uur. Andreas is al weg en Johan pakt zijn laatste spullen in. Ik zwaai nog even naar hem. Helaas ontbrak gisteren de tijd om nog even langs het klooster te gaan waar Bernadette Soubirous ligt. Ik heb de hele dag nodig voor100 kilometer. Dat was in 2008 niet zo. Ik wijt het aan de vaak flinke tegenwind die ik nu heb; in 2008 hadden we continue wind mee.  Jammer dat ik een bezoek aan Bernadette heb moeten laten schieten, maar niet onoverkomelijk. Ik ben er al eens geweest.

Aquaduct over de Allier

In Gimouille, net ten zuiden van Nevers, maak ik de eerste foto van vandaag: een kerk. Net buiten het dorpje geeft een bord de richting aan van de Voie de Vézelay, de GR 654, Chemin de St. Jacques de Compostelle. Ik volg het bord en fiets op het jaagpad langs het Canal Latéral à la Loire. Om 09:20 kom ik aan bij een aquaduct. De Allier (zijrivier van de Loire) stroomt onder het Canal door. Twee sluizen, direct na elkaar aan de noordkant van de Allier, ‘tillen’ de boten op zodat ze de Loire kunnen oversteken. Het aquaduct dat over de Allier ligt is vrij smal, maar breed genoeg voor vrachtboten die door het Canal varen. En uiteraard zijn er veel plezierboten. Ik maak foto’s en een video-opname. Daarna volgt Apremont-sur-Allier. Een schattig dorpje langs de Allier. Ik leg aan bij een café en neem koffie en croissants. Weer foto’s en video. Ik zie de twee Geldroppenaren die in Nevers hebben overnacht voorbij komen. Geen tijd om te genieten van het leuke dorpje. Voor het café waar ik koffie dronk stopt een Vlaams echtpaar op de fiets. Ze hebben hun bagage in waterdichte tassen.

Het mooie dorpje Apremont

Ongeveer tegelij-kertijd arriveert een Frans gezelschap. Ze zijn hier met de auto. We praten wat en ik leg de Fransen uit dat ik niet bij de twee Vlamingen hoor maar op eigen houtje op weg ben naar Santiago. Nou, nou, zie ik ze denken. Dat doen we je niet na. De Fransen attenderen me op de mooie huizen in het dorp, die uitkijken op de Allier. Daar ben ik nog niet geweest. Ik ga er op af. Inderdaad, de huizen zijn prachtig en hun uitzicht ook. Ik heb maar weer een stuk video opgenomen. Als ik Apremont uit rijd maak ik nog een video-opname terwijl ik op de fiets zit. Het eerste dorp na Apremont is Neuvy-le-Barrois. Een gehucht van een paar huizen. Maar wel met een gemeentehuis, zoals zoveel Franse dorpjes. Hoe klein ook, vaak staat er een gemeentehuis: la Mairie. Het werkt daar totaal anders dan bij ons. De burgemeester is een gekozen dorpeling. Hij (zij) is deeltijdburgemeester en in het gewone leven bijv. de bakker in het dorp, een boer of een winkelier. Omdat de overheidstaken in die kleine dorpen weinig voorstellen is la Mairie meestal gesloten. Maar deze keer (net als in Hans) staat de deur open. Ik stap af en ga naar binnen. Er zitten twee dames. Eén ervan zou best de burgemeester kunnen zijn. Kan ik een stempel krijgen, vraag ik. Natuurlijk. Et voilá, weer een stempel in mijn Credential.

Om 12:00 uur lunch uit de tas, een stukje voorbij Sancoins. Ik ben vlakbij Jouy op de D41. Rechts van de weg staat een ruïne. Het is een oude donjon die op het terrein van het Chateau de Jouy staat. Dit chateau is nu een hotel-restaurant annex congrescentrum. Onderweg tussen Sancoins en Charenton (aan de D76) maak ik nog een video-opname. Aan het einde van de middag arriveer ik in St. Amand-Montrond. Het is nog betrekkelijk vroeg als ik op de camping aankom. Tijd dus om kleren te wassen. Ik span een draad en hang de was te drogen. Daarna boodschappen doen in het stadje. In het centrum vraag ik iemand naar een supermarkt. Hij ziet dat ik op de fiets ben en stuurt me naar een grote supermarkt buiten het dorp. Daar heb ik geen zin in. Is er dan geen kleine epicerie, vraag ik. Jawel, een stukje verder in de hoofdstraat. Ik ga er heen. Het winkeltje is gesloten. Weer terug naar het centrum. Op het plein kijk ik nog eens goed rond en zie een gewone supermarkt à la Jan Linders. Ik koop kersen, vlees, een pot ratatouille, cider, wijn en kaas. En ik streep mijn boodschappenlijstje, zie gisteren, af.

Jouy, donjon

Terug op de camping vraag ik mijn buren uit Hoge Mierde of ik mijn elektronica ben hen kan opladen. Geen probleem. Daarna ga ik mijn eten klaar maken. Het is lekker. Ik krijg wel wat last van mijn buik. Mogelijk was de vis van de Japanner, gisteren in Nevers toch niet helemaal zo vers. Bij de afwas spreek ik een Vlaams stel van begin 60, schat ik. Ze zijn op weg naar Lourdes en volgen ook de route ‘langs oude wegen’. Deze route kent een variant die naar Lourdes voert. Ze zijn vorig jaar in Santiago geweest. Ook over de Somport-pas, net zoals ik van plan ben te doen. In Jaca is geen Camino-beleving weten ze te vertellen; in St. Jean-Pied-de-Port veel meer. Prima. Ik maak er geen punt van. En ze vertellen over een refuge in een oud station aan de weg Somport-Jaca. Dat moet het grote leegstaande (?) station zijn in Canfranc realiseer ik me terwijl ik dit nu schrijf. Ik bewaar het idee, neem ik me voor. Maar tegen de tijd dat ik in Canfranc ben, ben ik het weer vergeten. Het is een mooie oude camping met mooie oude bomen in St. Amand-Montrond. Hij ligt een stukje ten zuiden van het stadje aan de Cher. Jammer dat het sanitair net zo oud is als de bomen. Morgen verder.